Genetica

We zijn lid van de Vereniging van Mastiffliefhebbers en op 7 oktober 2018 is gedurende de fokkersvergadering, een lezing gehouden door een dierenarts van Laboklin over genetica. Daarnaast heeft ze ook nog een deep dive  gedaan ten aanzien van de ziekte Cystinuria.

Dit artikel gaat over de basis van de Genetica en de overerving, de gegevens over Cystinuria kun je hier vinden

Onderstaand mijn artikel over deze interessante lezing.

Lezing Genetica Dr A. Knossenburg (Laboklin)

Algemene informatie

Een mens heeft ongeveer 20.000 genen. Een hond heeft er ongeveer 19.700.

Een genoom is een complete set genen van het individu. Dit is uniek voor dat individu.

Het genoom van de hond is sinds 2005 bekend. Vijf procent van het genoom van de hond is identiek aan het genoom van de mens en de muis.

Er zijn ongeveer 350 genetische ziekten bekend bij honden en er worden dagelijks nieuwe genetische afwijkingen gevonden.

Van die 350 genetische ziekten zijn er ongeveer 225 mutaties bekend die terugleiden tot 160 ziekten.

Dat betekent dat er nog maar relatief weinig bekend is.

 

 

Genetische afwijkingen en cijfers

Het diagram geeft aan welke afwijking het meest gevonden/onderzocht is. Zoals je kunt zien weet men tot nu toe het meeste van de oogafwijkingen, daarna komen de bloedafwijkingen, dan de skeletafwijkingen etc etc.

De ontwikkelingen binnen de genetische testen gaan razendsnel en de nieuwe “foute” genen worden maandelijks uitgebreid.

De diagram geeft een goed idee wat er momenteel allemaal bekend is ten aanzien van genetische ziekten binnen de rashonden populatie.

 

 

Voordelen genetische testen

  • Het is makkelijk een monster te verkrijgen en er zijn weinig eisen gesteld aan het monster transport
  • Leeftijd doet er niet toe ( je kunt een pup al testen vanaf 5 dagen na de geboorte)
  • Je kunt testen voordat symptomen zichtbaar zijn waardoor je eventuele maatregelen in een vroeg stadium kunt treffen
  • Vroege selectie mogelijk
  • Je kunt eventuele dragers opsporen en deze kruisen met vrije honden

 

Monsters van materiaal die je kunt inleveren om DNA testen te kunnen uitvoeren zijn bloed en een speeksel swap.

Het beste is om de monsters af te laten nemen bij de dierenarts, dan weet je zeker dat je voldoende DNA materiaal hebt. Daarnaast is het dan ook mogelijk om een officieel certificaat te krijgen van de DNA test. Swabs kun je eventueel ook thuis afnemen als je geen certificaat nodig hebt.

Rasspecifieke testen en rasgroeptesten

 

Er zijn ras specifieke testen en rasgroeptesten.

De ras specifieke testen zijn het meest betrouwbaar om uit te voeren.

Zoals je in de diagram kan zien zitten sommige rasgroepen vrij verspreid en niet allemaal in dezelfde cluster.

Ziekten die bij de Mastiff achtige honden voorkomen kunnen dus binnen een ras beperken. Wanneer deze test bij een ander ras uitvoert dan  hoeft dezelfde test helemaal niks te betekenen binnen dat andere ras (wellicht is die marker/mutatie niet actief binnen die ziekte in een ander ras).

Het risico van rasgroeptesten is dat dieren ten onrechte worden uitgesloten of dat dieren als vrij worden verkocht, maar wel de aandoening krijgen, omdat binnen dit ras een andere  mutatie verantwoordelijk is voor deze aandoening.

Dit is de reden om altijd voor een rasspecifieke test te gaan.

 

 

Hoe gaat het testen in zijn werk:

 

 

De monsters komen binnen bij Laboklin en de eerste analyse wordt gedaan  of de monsters geschikt zijn voor de testen. Dit betekent dat er voldoende DNA in het monster moet zitten. Hierna worden de monsters geschikt gemaakt voor de eerste testen.

 

Hierna wordt het monster als een “ ritssluiting” uit elkaar gehaald om zo steeds verdere analyses te kunnen doen voor de verschillende testen die ze gaan uitvoeren.

 

 

 

 

 

 

Limitatie genetische testen

Er zit ook een limitatie ten aanzien van de genetische testen.

Er is altijd een mogelijkheid dat andere factoren er een rol spelen in of de hond een ziekte daadwerkelijk gaat ontwikkelen. De test geeft aan dat de aanleg er is maar de genetica zegt niets over de uiting van de aandoening.

Daarnaast hebben we ook te maken met poly genetische en  multi-factor aandoeningen.

Poly genetische aandoeningen zijn aandoeningen die op meerdere genen tot uiting komen. Doordat er niet alleen één gen gepinpoint kan worden is hier dus ook niet op te testen ( denk aan afmeting, gewicht, nestgrote, cryptorchidie en hartafwijkingen). De uiting van deze ziekte is een combinatie van factoren.

Multi-factoriale aandoeningen zijn aandoeningen waarin meerdere genen zich ontwikkelen op basis van de  milieufactoren, je kunt hierbij denken aan bijvoorbeeld heupdysplasie of elleboogdysplasie.

Een groot risico voor het ontwikkelen van deze genetische aandoeningen is het verminderen van de genetische variatie.

Vererving

Erfelijk materiaal in cellen is opgebouwd uit chromosomen.

Deze komen telkens in paar voor, waarvan een helft is doorgegeven door de vader en de andere helft door de moeder.

Een gen is een stukje DNA op een chromosoom en is verantwoordelijk voor een bepaalde eigenschap van het dier (bijvoorbeeld de kleur van de vacht).

Van dat gen zijn er dus ook twee varianten aanwezig, namelijk één afkomstig van de vader en één van de moeder.

Zo een variant van een gen noemt men een allel.

Als een hond voor een bepaald gen twee gelijke allelen heeft (het allel van moeder en vader is hetzelfde), dan is dat dier homozygoot voor dat gen.

In het geval de twee allelen verschillen is het dier heterozygoot.

Een allel (en de daaruit volgende eigenschap) kan recessief of dominant zijn.

Als een allel dominant is, dan komt dit tot uiting (je kan het uiterlijk aan de hond waarnemen); een recessief allel wordt overtroffen door een dominant allel.

Alleen in het geval dat beide allelen recessief zijn komt deze recessieve eigenschap wel tot uiting.

 

 

 

Twee vrije honden geven vrije pups

 

 

 

 

Een vrije hond en een lijder geven 100% dragers

 

 

 

 

 

 

 

Twee dragers geven 25% vrije honden, 50% dragers en 25% lijders

 

 

 

 

 

 

Een drager en een lijder geven 50% vrije honden en 50% dragers.

 

 

 

 

Autosomaal dominante- en autosomaal recessieve ziekten

Autosomaal dominant

Wanneer een ziekte autosomaal dominant is dan is berust de ziekte op 1 gen.  Wanneer een dier de mutatie bij zich draagt komt deze ook tot uiting. Hierdoor zie je dat de dragers dus ook ziek worden.

Als een van de ouderhonden het zieke gen heeft is er een kans van 50% dat het nageslacht de ziekte ook krijgt.

Het woord autosomaal betekent dat het niet uitmaakt of het een reu of een teef is. Beiden hebben 50% kans om de aandoening te erven.

Autosomaal recessief

Wanneer de ziekte autosomaal recessief is dan kan de ziekte alleen maar doorgegeven worden als beide ouderhonden hetzelfde “zieke” gen hebben. Zij hebben dus één versie van het gen met, en één zonder de fout. Maar ze kunnen de mutatie wel doorgeven. Ze zijn ‘drager’, zij zullen de ziekte niet vertonen maar kunnen wel de ziekte doorgeven.  In dit geval worden alleen de lijders ziek dus de dieren die van beide ouders de mutatie hebben gekregen.

Gelukkig kennen we bij de Mastiff maar 1 dominante afwijking en dat is PRA.  Alle overige afwijkingen zijn recessief.

Op dit moment zijn er 7 ras specifieke testen voor de Mastiff beschikbaar.

Deze testen zijn:

  • Canine multi-focal retinopathy (CMR1/2/3)
  • Chondrodysplasia and –dystrophy (CDDY and IVDD risk)
  • Cystinuria (Type III)
  • Progressive retinal atrophy (PRA)
  • Degenertieve myelopathy exon 2 (DM exon2)
  • Hyperuricosuria (SLC)
  • Malignant hyperthermia (MH)