Epilepsie

Op dit moment is het nog niet verboden om te fokken met lijnen waarin epilepsie voorkomt. Wij als liefhebbers en als fokkers kunnen ons niet voorstellen dat er mensen zijn die dit willens en wetens doen. Door de gebrekkige vastlegging van de honden met epilepsie ben je aangewezen op de eerlijkheid van de fokker. Zorg dus altijd dat je goed onderzoek doet!


Bij de mens is epilepsie al ongeveer 4000 jaar bekend. Epilepsie is van oorsprong een Grieks woord en betekende overval of aanval. Hippocrates beschreef als eerste de aandoening ale een van de hersenen uitgaande verstoring.

Bij alle hondenrassen komt epilepsie voor, maar erfelijke vormen hebben ertoe geleid dat honden van bepaalde rassen vaker aan epilepsie lijden dan andere rassen/kruisingen. Er wordt pas gesproken van epilepsie indien er 2 of meer aanvallen meer dan 24 uur apart van elkaar zijn opgetreden.

Wat is epilepsie

Epilepsie is het herhaald optreden van toevallen. Het is een gevolg van electrische ontladingen in groepen hersencellen, hetgeen resulteert in abnormaal gedrag.

Dit gedrag kan gekenmerkt zijn door:

  • vermindering of verlies van bewustzijnsniveau
  • verandering van de inhoud van het bewustzijn, dit kunnen hallucinaties zijn, zoals het naar een vlieg happen
  • zogenaamde motorische verschijnselen, onder andere het verlies of de verhoging van spierspanning, ritmische spiersamentrekking of fietsbewegingen
  • verschijnselen vanuit het autonome zenuwstelsel, zoals speekselen, urineren, het spontaan lozen van ontlasting
  • gedragsveranderingen.

De electrische ontladingen zijn te beschouwen als een verstoring van bestaande electrische evenwichten op de celwand. De plaats waar deze ontladingen ontstaan wordt het eplileptogene focus genoemd. Het verschijnsel kan beperkt blijven tot het focus of kan zich via bepaalde zenuwbanen verspreiden naar andere hersengedeelten. Dit al dan niet verspreiden bepaalt hoe een epileptiforme aanval eruit ziet. Aileen het EEG (electro encephalogram) kan aangeven waar het focus zich bevindt en hoe de aanval zich verspreidt. Deze informatie is echter binnen de diergeneeskunde voor patiënten niet beschikbaar, omdat het moeilijk te realiseren is om tijdens een epilepsie-aanval een EEG te maken. Bovendien wordt het EEG ernstig gestoord door het optreden van spiertrillingen en dergelijke. De hond heeft namelijk op de schedel een dikke laag spieren, wat bij de mens niet het geval is.

Als gevolg van het bovenstaande zijn het gedrag en de bewegingen van het dier tijdens de toeval de belangrijkste componenten om de verschijningsvorm van de aanval te karakteriseren.

Indeling van de toevallen

Epileptoforme toevallen zijn op verschillende manieren in te delen. Twee mogelijkheden zijn:

  1. Een indeling naar oorzaak.
  2. Indeling naar verschijningsvorm.

Indeling naar oorzaak

Het optreden van toevallen zonder aanwijsbare oorzaak wordt primaire of ‘echte’ epilepsie genoemd. Het optreden van toevallen met een aanwijsbare oorzaak heet secundaire epilepsie. Enkele voorbeelden van groepen aandoeningen die een epileptiforme aanval tot gevolg kunnen hebben, (dit is dus secundaire epilepsie) zijn:

  • aangeboren afwijkingen (by waterhoofd)
  • infecties (by hondeziekte)
  • stofwisselingstoornissen (by leverafwijkingen)
  • hersenletsel (by bloeding)
  • circulatieproblemen (by hartritmestoornissen)
  • tumoren in de hersenen.

Indeling naar verschijningsvorm

Hierbij wordt gelet op het type gedrag en de bewegingen die de hond maakt tijdens de aanval. Onderscheiden worden:

A. Partiële of focale toevallen

Deze ontstaan in een afgebakend focus (dit is de plaats waar electrische ontladingen ontstaan). Zij geven, afhankelijk van de plaats, specifieke veranderingen varierend van spiertrekkingen van een spiergroep tot gedragsveranderingen zoals hysterie of agressie. Bij mensen zien we bijvoorbeeld het trillen of trekken van de hand of de arm of van een spier in het gezicht. Ook bij de hond wordt iets vergelijkbaars gezien.

B. Gegeneraliseerde toevallen

Hierbij vinden de electrische ontladingen in verschillende hersendelen tegelijk plaats. De toeval kan gegeneraliseerd ontstaan, of het gevolg zijn van een focale toeval, die zich uitgebreid heeft. Bij de hond is dit de belangrijkste vorm en deze wordt ook wel ‘Grand Mal’ genoemd. Bij deze toeval zijn drie stadia te onderscheiden: de aura, de ictus en de postictus.

1. Aura

Dit is een periode van abnormaal gedrag zonder verstoring van het bewustzijnsniveau. Het dier is lusteloos, rusteloos, gaat doelloze handelingen verrichten en kan ‘vreemd’ uit de ogen gaan kijken. Ook kan het dier heel aanhankelijk worden. De duur van deze periode kan varieren van seconden tot dagen en is per dier bij iedere aanval ongeveer hetzelfde. Het einde van de aura is een acuut bewustzijnsverlies. Dit is het begin van:

2. lctus

Dit is de werkelijke toeval. De hond valt meestal om en er is een toename van de spierspanning van alle spieren; er treedt verstijving op met fietsbewegingen. Daarnaast kan speekselen en spontaan verlies van urine en ontlasting optreden. Deze periode kan enkele seconden tot minuten duren. Het einde van deze fase wordt ingeleid door een blijvende vermindering van de spierspanning (relaxatie).

3. Postictus

In deze periode herstelt het bewustzijn zich, er is echter nog geen volledig zenuwherstel. Vaak loopt de hond tegen dingen aan (blindheid), heeft een `dronken’ gang en herkent zijn omgeving niet meer. Sommige honden gaan vrij diep slapen, andere blijven erg onrustig. Deze periode kan van minuten tot uren duren en sours zelfs een aantal dagen aanhouden.

Een aparte plaats wordt ingenomen door de status epilepticus. Dit is een opeenvolging van toevallen zonder duidelijke postictale herstelfase. Dit is een levensbedreigende situatie, waarbij snel medisch ingrijpen noodzakelijk is.

Diagnostiek

Het is in verband met de therapie van belang om een onderscheid te maken tussen primaire en secundaire epilepsie. Bij de keuze tussen deze twee mogelijkheden wordt gebruik gemaakt van een zo volledig mogelijk anamnese (dit is een vraaggesprek met de eigenaar), een algemeen lichamelijk onderzoek en een beperkt neurologisch onderzoek.

Bij de anamnese zijn een aantal gegevens van belang:

  • ras, geslacht en leeftijd
  • leeftijd waarop de eerste toeval plaatsvond
  • mate van optreden van de toevallen
  • beschrijving van de vorm van de toeval, is deze altijd dezelfde of niet
  • is er een aanwijsbare oorzaak voor het optreden van de toevallen
  • tijdstip van de dag
  • is er een relatie met maaltijden of inspanning
  • het gedrag tussen de aanvallen
  • ziekte, ongevallen, operaties, entingen en medicijnen
  • informatie over ouders, nestgenoten, etc.

Het bijhouden van het optreden van toevallen, het aantal en de ernst ervan, is dus van groot belang voor de diagnostiek. Bij het algemeen lichamelijk onderzoek kunnen bepaalde afwijkingen naar voren komen. In dat geval kan dit onderzoek uitgebreid worden met:

  • een onderzoek van bepaalde organen en/of orgaansystemen
  • een rontgenonderzoek
  • een ECG (electrocardiogram).

Ook als er geen afwijkingen worden gevonden, wordt er meestal een bloed- en urine-onderzoek gedaan om bepaalde ziekten uit te sluiten.

Bij het beperkt neurologisch onderzoek wordt gelet op de manier van lopen, de kop wordt bekeken en de reflexen van de kopzenuwen worden beoordeeld.

Op basis van de volgende criteria wordt een primaire epilepsie (deze is zonder aanwijsbare oorzaak) verondersteld:

  • leeftijd bij de eerste toeval tussen een en drie jaar
  • verschijningsvorm is van het gegeneraliseerde (Grand Mal)type
  • de verschijningsvorm is steeds dezelfde
  • het tijdstip van optreden valt niet duidelijk samen met voedselopname en/of lichamelijke inspanning
  • tussen de toevallen is de hond geheel normaal
  • er zijn geen relevante afwijkingen gevonden bij het lichamelijk onderzoek.

Voldoet een beeld niet aan deze criteria, dan wordt een secundaire epilepsie (dus een aanwijsbare oorzaak) verondersteld.

Therapie

Zoals gezegd is het van belang om te weten of de hond een primaire of een secundaire epilepsie heeft. Bij de secundaire epilepsie staat namelijk de behandeling van de oorzaak van de epilepsie voorop. Aileen als behandeling van de oorzaak niet mogelijk is, worden de toevallen onderdrukt door middel van medicijnen.

Bij de primaire epilepsie is er geen oorzaak voor de toevallen te vinden en daarom staat het onderdrukken van toevallen voorop.

De medicijnen die gebruikt kunnen worden zijn:

Phenobarbital (luminal)

Waarmee getracht wordt het ontstaan van toevallen te voorkomen of af te remmen. Dit medicijn moet levenslang toegediend worden, zodat de toevallen minder vaak voorkomen, minder lang duren en/of minder heftig zijn. Het is helaas niet mogelijk om de toevallen volledig te laten verdwijnen.

Diazepam (valium)

Dit medicijn wordt alleen gebruikt als de hond een status epilepticus heeft. Er zijn tubes valium verkrijgbaar die de eigenaar zelf in tijd van nood kan toedienen.

Wanneer eenmaal de behandeling is gestart, mag deze niet `afgebouwd’ worden. Het is dan mogelijk dat een aanval optreedt die erger is dan voorheen. Meestal moet de dosis van het geneesmiddel na verloop van tijd worden verhoogd omdat gewenning optreedt.

Een behandeling wordt pas gestart wanneer er regelmatig aanvallen optreden (een keer per maand), of wanneer er veel aanvallen per keer optreden (clusters). De medicijnen hebben namelijk bijwerkingen in de vorm van veel drinken, veel plassen, veel eten en sufheid. Deze bijwerkingen zijn er in sommige gevallen de oorzaak van dat de hond ‘minder leuk’ wordt als huisdier. Een medicijn dat deze bijwerking niet kent, wordt momenteel bij de Faculteit voor Diergeneeskunde te Utrecht ontwikkeld en getest.

Gevolgen van epilepsie

De consequenties van epilepsie voor het functioneren van de hond hangen af van de mate en vorm van de epilepsie. Meestal zijn de vooruitzichten van zo’n hond redelijk goed. Met behulp van medicijnen kunnen veel honden even oud worden als een gezonde hond. Het is absoluut niet zo, dat een hond is `afgeschreven’ als blijkt dat er sprake is van epilepsie. Uit onderzoek van de Faculteit voor Diergeneeskunde te Utrecht is gebleken, dat het tijdstip van een toeval veel informatie geeft over de aard hiervan. Krijgt de hond namelijk een toeval tijdens opwinding of inspanning, dan is het waarschijnlijk dat stress mede een oorzaak van de toeval is. In dat geval is het natuurlijk van belang, dat de hond zoveel mogelijk rust krijgt.

Meestal echter treedt de aanval bij honden vooral op tijdens rust, net als bij de mens. Met deze honden kun je alles blijven doen, zoals gehoorzaamheidstraining, jachtcursus, zwemmen etc. Het is wel verstandig om dit niet te doen wanneer men een aanval ziet aankomen.

Bij die honden die een ernstige mate van epilepsie vertonen, is er echter wel degelijk sprake van een groot probleem. Voor de hond zelf is het vaak optreden van toevallen erg vervelend. Voor de eigenaar of het gezin kan het een enorme belasting zijn, met name psychisch, om een dergelijke hond te hebben. Juist voor deze ernstige gevallen is het zinvol om nader advies te vragen bij een dierenarts. Er bestaat ook de mogelijkheid om na verwijzing advies te vragen bij de epilepsiepolikliniek in Utrecht.

Anita van Beek en Lia Ris, met medewerking van Mevrouw L. Overduyn, werkzaam bij de epilepsiepolikliniek van de Kliniek voor Gezelschapsdieren te Utrecht.